dinsdag 15 juli 2014

Opvoeden tot genie...2

Door Tjalling van den Bosch

Het vorige epistel sloot ik af met de constatering dat Zsuzsa het schaakspel ontdekte en al spoedig niets liever deed. Ze ontwikkelde zich snel tot een goede schaakspeelster; op haar vierde (!!) werd ze met een perfecte score (10 uit 10 in de finale) jeugdkampioen van Boedapest in de klasse tot 12 jaar!! Toen ze vijf jaar oud was, had ze zowel op het gebied van schaken als op dat van de wiskunde een dusdanig hoog niveau bereikt, dat het naast elkaar onderwijzen van allebei de disciplines alleen maar remmend zou kunnen werken op haar ontwikkeling. Omdat Zsuzsa zo aan schaken verslingerd was en omdat het schaakspel een meetbaar resultaat voor het opvoedingsexperiment zou opleveren, besloten haar ouders (Klára en László) de wiskunde voor het grootste deel te laten vallen.
Voor Klára was het doorslaggevende argument (voor het bordspel) de overweging, dat haar toch zo wilde en levendige kind gefascineerd en geconcentreerd achter het bord kon zitten en een grote spelvreugde had. Achter een dergelijke blijdschap kon zich geen ongeluk verschuilen, volgens Klára.

Enig kind . . . 

Vijf jaar lang was Zsuzsa enig kind, toen werd de tweede telg uit het huwelijk van Klára en László geboren; Zsófia aanschouwde het  levenslicht op 2 november 1976. In eerste instantie veranderde er voor Zsuzsa niet zo veel, ook niet toen ruim anderhalf jaar later het volgende meisje zich aandiende: Judit. Judit (waarom geen Zjudit?!) werd geboren op 23 juli 1976. In eerste instantie waren haar twee zusjes te jong om te schaken en kon Zsuzsa zich, terugtrekkend in een aparte kamer, nog steeds in haar eentje overgeven aan het schaakspel. Zsófia en Judit mochten daar niet binnenkomen; "dat is pas voor als jullie óók kunnen schaken" hielden de ouders hen altijd voor. De nieuwsgierigheid van de meisjes had natuurlijk niet beter gewekt kunnen worden; ze rustten dan ook niet voordat zij het spel ook beheersten. Met dezelfde routine, die hij had opgedaan bij de training van Zsuzsa, onderwees László ook zijn twee jongste dochters. Het hele huis hing vol met diagrammen: mat-in-één, mat-in-twee of mat-in-drie. Zelfs als ze gingen slapen, kregen ze een prikbord met vijftien op te lossen stellingen naast hun bed, zodat ze de volgende dag meteen schakend zouden beginnen.

Nog sneller dan Zsuzsa waren de meisjes op een goed niveau, al waren ze veel speelser dan hun oudste zus. Tot hun tiende levensjaar gebruikten de twee jongsten nooit meer dan een kwartier bedenktijd voor een partij. Ze renden elkaar gewoonlijk achterna door de speelzaal, kropen onder de tafels door en vroegen zich vaak hardop af waarover de tegenstanders nu toch zo lang nadachten. Als hun vader hen opdroeg zich beter te concentreren, waren ze verbaasd; ze wonnen toch?

Het was voor vader László toen wel duidelijk; het opvoedingsexperiment zou in het teken van het schaakspel komen te staan. Klára heeft het daar moeilijker mee gehad, omdat wat haar betrof ook voor een veelzijdiger oplossing gekozen had mogen worden. Zij had liever gezien dat de twee jongsten een andere weg waren ingeslagen, bijvoorbeeld een mathematicus en een musicus in de familie vond de moeder een beter idee. In de praktijk was een dergelijk ideaal niet haalbaar; ten eerste werd het inkomen aanzienlijk verminderd omdat Klára sinds de gezinsuitbreiding haar werk als lerares had opgegeven en ten tweede was het aantrekken van trainers/leraren een kostbare aangelegenheid. Er moesten trainers worden ingeschakeld, want László was als schaker al snel overvleugeld door zijn dochters en dus moesten er betere schakers worden ingehuurd. In de families van de ouders waren ook geen schakers van enig niveau te vinden; er schijnt wel een Polgár, als schaker, bekend te zijn in Hongarije, maar dat was geen familie.

De verschillende onderdelen van het trainingsprogramma werden langzaam maar zeker geïntensiveerd. De meisjes moesten gewend raken aan wedstrijdsfeer en perioden van zware en langdurige inspanning.  Zij moesten hun aandacht kunnen vasthouden en ook hun fysieke conditie moest op peil blijven. László  heeft ook altijd vechtlust geproclameerd en stond zijn dochters geen gemakkelijke remises toe, zelfs niet tegen elkaar. Niet zelden werden onderlinge ontmoetingen uitgevochten tot er nog slechts twee koningen op bord stonden en er dus voor geen van beide speelsters meer winst mogelijk was. Dat de meisjes bovendien eerlijk dienden te zijn en nooit onbeleefd mochten optreden tegen hun tegenstanders, sprak vanzelf. De meisjes kregen nooit 'cijfers' voor hun vordering, omdat die niets toevoegen aan de toch al positieve of negatieve waardering voor een prestatie. Ook zorgden de ouders ervoor, dat de meisjes meededen aan toernooien met een niet al te zware bezetting. Naar hun mening moet een kind namelijk niet worden blootgesteld aan een situatie, waarin de verwachtingen te hoog zijn gespannen; daarom koos men met zorg de wedstrijden uit, niet te zwaar, maar ook zeker niet te gemakkelijk.Als een van de meisjes een partij verloor, dan werd ze ook nooit bestraffend toegesproken, maar juist getroost; een verliespartij is voor een schaker op zichzelf al erg genoeg. Wel werd iedere verliespartij natuurlijk gedegen geanalyseerd, om uit te vinden wat
er precies fout was gegaan.

Echter de reacties van buiten het gezin, op het opvoedings-experiment, waren bepaald niet altijd positief!?!

Wordt (wederom) vervolgd . . .
 



dinsdag 8 juli 2014

Opvoeden tot genie...1

Door Tjalling van den Bosch

Vooraf: De komende maanden verlaten we onze vertrouwde damwereld; ik neem u mee naar een project dat veel stof deed opwaaien, in de tweede helft van de vorige eeuw en dan vooral in de schaakwereld.

In 1967 trouwden Klára Alberger en László Polgár (in Hongarije) met elkaar; in 1969 wordt hun eerste kind geboren, een dochter (Zsuzsa). Nachtenlang praten de nieuwbakken ouders over het opvoeden van hun eerste nakomeling; uiteindelijk besluiten ze tot een opvoedingsexperiment. László gelooft niet dat scholen goed zijn voor de ontwikkeling van een kind. Naar zijn mening stompt de creativiteit van kinderen bij klassikaal onderwijs af. Een kind wordt op school eerder dommer dan slimmer, volgens hem. Zijn gelijk wilde hij bewijzen door zijn dochter niet naar school te laten gaan, maar haar zelf een (in zijn ogen) ideale opvoeding te geven; een uitstekende algemene ontwikkeling, maar ook uitblinken op een bepaald gebied én ze moest vooral een gelukkig mens worden.

Volgens László  maken scholen talent kapot, terwijl deze juist gekoesterd en opgekweekt moet worden; scholen zijn de slechtst mogelijke opleiding voor 'het leven'. Begaafde leerlingen worden wreed behandeld door klasgenoten en zo mogelijk nog wreder door de docenten. Het is een bewezen feit, dat onderbelasting schadelijker en vermoeiender is dan een optimale belasting van de aanwezige talenten. Het niveau van de lessen is nu eenmaal afgestemd op dat van de middelmaat, die altijd dichter bij de onderlaag dan bij de top ligt. Het leren wordt daarom saai voor de begaafde leerlingen, die allesbehalve gestimuleerd worden om te presteren. In plaats van de eindeloze klassikale leergangen en de ambitie dodende verveling die daarbij hoort, zou een systeem moeten worden uitgevonden, waarin kinderen iedere keer het bereikbare doel van hun werk voor ogen staat en waarin ze zodanig belast worden, dat ze dat ervaren als actieve ontspanning. Het verwerven van informatie en het oplossen van opgaven moeten daarom in de vorm van een spel worden gebracht, waardoor een spelelement in het werk wordt ingebouwd en een werkelement in het spel van het kind.

László die zich na zijn schooltijd verdiept in de pedagogie, psychologie en Esperanto (!) noemt zichzelf 'psychopedagoog'; halverwege de jaren 60 (van de vorige eeuw) ging hij aan de slag als leraar Tekenen en Ethiek aan een middelbare school in Boedapest. Klára studeerde Russisch, Duits en Esperanto; zij vond later emplooi als lerares op een basisschool. Alhoewel Klàra in eerste instantie sceptisch stond tegenover het gedachtengoed van haar man, ging ze hier uiteindelijk toch in mee en kreeg Zsuzsa een intensieve begeleiding. Kortom: het doel van deze wijze van opvoeden was om hun dochter zoveel mogelijk kennis mee te geven, omdat: het opvoeden tot genie de zekerste weg naar geluk is . . .

Onverwachte wending . . .

Echter het 'project' kreeg een onverwachte wending . . . Direct nadat Zsuzsa had leren praten, begon de intensieve begeleiding; op haar derde en vierde levensjaar kreeg ze al les in de Russische- en Duitse taal. Aan de hand van blokken en vlakverdelingen was László ook al vroeg begonnen haar thuis wiskunde te onderwijzen. Toen Zsuzsa bijna 4 jaar oud was vond ze thuis in een la schaakstukken . . . Haar vader besloot haar het spel uit te leggen; stapsgewijs legde hij haar de mogelijkheden van de stukken uit. Ieder onderdeel werd geduldig en systematisch aangepakt; hij presenteerde de kennis (zoals hij onderwijs voorstond) in een gestaag oplopende moeilijkheidsgraad. Van vitaal belang daarbij was, dat Zsuzsa zelf ontdekkingen deed en zo plezier hield in het leerproces. Net als bij taal- en wiskunde-onderwijs, pakte de vader het schaken intensief aan; er werd elke dag gespeeld. László verzon sprookjes op het schaakbord, waarin de stukken de belangrijke rollen hadden; hij behandelde ieder spelonderdeel grondig, maar speels. 
Pas na drie á vier maanden mocht Zsuzsa haar eerste echte partij spelen met het complete bord vol stukken.
Dochterlief vond het prachtig, ook al omdat haar vader haar soms (ongemerkt) liet winnen; dat deed hij liever dan haar een 'voorgift' te geven, omdat (volgens hem) daardoor haar zicht op de structuur van het spel negatief beïnvloed zou kunnen worden. Gaandeweg kreeg Zsuzsa zoveel plezier in het schaakspel, dat ze niet meer met haar poppen speelde.

Het bovenstaande is al weer een heel epistel geworden, daarom sluiten we af met: wordt vervolgd . . .

PS. Na het laatste epistel over de Polgárs zal ik aan bronvermelding doen, maar twee bronnen wil ik nu reeds prijs geven: -Nevelj Zsenit!- van László Polgar en -De Polgar-zusters of: de creatie van drie schaakgenieën- van Ed van Eeden. Vooral de laatste (uitgegeven in 1990) is een prachtig stukje geschiedschrijving..

Op damgebied kan Hongarije niet bogen op hoogstandjes; in de partij tussen Barnabos Kollner (met wit) en Odon Kollner (E.K. 2012) miste eerstgenoemde reeds na 6 zetten een eenvoudige winst: 33-28  (20-25)  38-33  (18-23)  42-38  (12-18)  47-42  (7-12)  31-26  (15-20 ?)  37-31 ?? de winst die wit hier verzuimde mag voor iedere rechtgeaarde dammer geen probleem zijn. 

Beste lezers en lezeressen, u kunt het gedachtengoed van László en Klára bizar vinden; de onderstaande stand is dat zeker, zowel de beginstand als de afwikkeling! Benedictus Springer is de componist: 

Wit verleidt zwart na 37-31 tot  (18-22?)  29x18  (20x29)  34x23  (19x26)  en nu:  27-21  (16x27)  42-37  (12x23 of ?)  37-31  (25x34)  40x18  26x37  41x1





 

woensdag 2 juli 2014

Nina...

Door Tjalling van den Bosch     


Het valt me zwaar om iets over Nina Hoekman te schrijven. Doordat Nina tot mijn persoonlijke kennissenkring behoorde (-alleen al het schrijven in de verleden tijd valt me bijzonder zwaar-), weet ik hoeveel ze heeft moeten doorstaan/overwinnen; maar helaas deze strijd was niet te winnen. Ze werd geboren als: Nina Georgijevna Jankovskaja op 8 augustus 1964 te Kiev (Oekraïne). Haar moeder was een wereldberoemd wiskundige; Nina stelde haar leven vooral in dienst van het dammen. Tijdens één van de vele damtoernooien ontmoette ze Henk Hoekman, de twee kregen een relatie. In 1995 emigreerde Nina naar Nederland (Zutphen) en trouwde ze met Henk. Na het huwelijk kreeg Nina een Nederlands paspoort, daarin staat haar achternaam vermeld als: Iankovskaia, daarom staat haar naam ook zo geschreven op de rouwkaart. In 2004 werd hun zoontje Oleg geboren; vrij kort na de bevalling werd bij Nina borstkanker geconstateerd. Nu is Nina er niet meer; ze overleed in de vroege ochtend van 26 juni 2014.

Strijd . . .

Jarenlang vocht Nina tegen deze verschrikkelijke ziekte. In het blad 'Linda' (van juli 2014) vertelt Nina: "In 2005 kreeg ik borstkanker. Daarna is het uitgezaaid. Al meerdere keren heb ik gehoord dat ik 'nog maar een paar weken heb'.  Dan tel je af. Maar ik ben een sporter en sporters geven nooit op.
Onze zoon is niet meer onder de indruk als artsen zeggen dat hij mij binnenkort moet missen. Ik ben zo blij dat ze ongelijk hebben. Dat ik mijn zoon tien heb zien mogen worden. En hij zich zijn moeder zal herinneren. Ik heb meer dan zeventig chemokuren en twee volledige bestralingen gehad. Enkele rechtstreeks op mijn gezonde hersenen. De artsen noemen het een medisch wonder dat ik nog een denksport kan doen". Het tijdschrift is opgezet door de bekende t.v.-persoonlijkheid Linda de Mol; zij werd dit jaar 50 en vanwege dit feit interviewde ze andere vrouwen uit hetzelfde bouwjaar (1964), dus ook Nina. 

Helaas kwam Nina anderhalve maand te kort om de 5 kruisjes vol te maken. Natuurlijk kan ik de palmares van Nina nu tevoorschijn toveren, want op het dambord was ze ook zeer strijdbaar en succesvol. Strijdbaar tot het laatst; het Nederlands kampioenschap van dit jaar volbracht Nina vanuit een rolstoel en met een secondant, want de stukken verplaatsen,  noteren en de klok indrukken ging niet meer. Ondanks diverse andere ongemakken mochten haar partijen 'er zijn'; het leverde haar haar elfde titel op, een record dat ze deelt met Karen van Lith en waar ze haar zinnen op had gezet.  Ik hoop dat anderen de totale erelijst van Nina aan het papier toevertrouwen. Veel van mijn herinneringen aan Nina zijn persoonlijk, daarom houd ik die liever voor me.

Trainster . . .

Nina heeft zich in Nederland, naast haar eigen damcarrière, ook ingezet als trainster; ze heeft zich vooral intensief bemoeid met het opleiden van jonge talenten, zowel jongens als meisjes. De volgende gebeurtenis speelde zich af na een toernooi, waarin naast Nina ook Roel Boomstra in de prijzen was gevallen. Tijdens de prijsuitreiking werd de prijswinnaars gevraagd om op de voorste rij te gaan zitten. Nadat eenieder plaats had genomen werd Zoja Golubeva door de organisatie gevraagd om 'even op te schuiven' want het was 'mooi voor de foto' wanneer moeder en zoon naast elkaar zouden zitten. De organisatie dacht blijkbaar echt dat Nina de moeder van Roel was. Ook Heike Verheul werd vaak als dochter van Henk en Nina gezien, dit toont aan hoe betrokken en intensief Henk en Nina met de jeugd omgingen.

Nina heeft ook altijd gevochten voor 'haar jeugd', zeker toen de K.N.D.B. de geldkraan voor het begeleiden van meisjes/vrouwen dichtdraaide. Nina liet geen van haar pupillen vallen; ze bleef de jeugd begeleiden ondanks dat haar functie als bondstrainster uiteindelijk werd afgeschaft. Haar onverzettelijkheid was een voorbeeld voor de jongeren. Altijd heeft Nina zich in dienst gesteld van anderen; alhoewel daar alle aanleiding toe was, hoorde je haar nimmer klagen. Niet alleen de dam-opleiding voor de jeugd vond Nina belangrijk, ook op school en
op sociaal gebied moesten haar leerlingen zich ontwikkelen. Oud-pupil Michel Stempher schreef hartverwarmende woorden op het FMJD-forum;  ook het 'in memoriam' van Peter Pippel op de 'Salou Open-site' sprak boekdelen over wat Nina voor hem persoonlijk en voor het toernooi heeft betekend. 
De KNDB roemt op haar site (ter nagedachtenis aan Nina) vooral Nina's liefde voor het dammen en haar inzet als trainster: "Nina was het boegbeeld van het vrouwen-dammen in Nederland".

De uitvaart . . .

De uitvaartdienst voor Nina vond plaats op 1 juli (2014) in crematorium De Omarming te Zutphen (voor de duidelijkheid; Nina werd daar begraven, niet gecremeerd). Zeer veel mensen kwamen Nina de laatste eer bewijzen; er waren veel sprekers die allemaal Nina neerzetten als een geweldige sportvrouw en een warm mens. Als laatste nam Nina's zoon Oleg het woord; velen 'braken' toen Oleg zei: "Mama, ik wou dat deze dag nooit was gekomen". Henk nam aan het graf van zijn vrouw nog even kort het woord; hij bedankte een ieder voor hun komst en zei te hopen dat hij en Oleg  spoedig weer de weg naar betere tijden kunnen inslaan.

Nina, lieve schat, de strijd is gestreden, rust in vrede.

Dit artikel (over Nina) kan natuurlijk niet worden afgesloten zonder een diagram. 
De ochtend dat Nina overleed speelde haar pupil Wouter Sipma in de 4de ronde van het Nikolay Kychkin Memorial in Jakoetsk tegen de sterke Rus Nikolai Gulyaev 

                                                                                   
Gulyaev (zwart) heeft net op de 36ste zet (12-17) gespeeld; Sipma repliceerde met 37.  39-34 en plotseling merkt zwart dat hij in de problemen zit!?! De Rus speelde nog  37.  ..-..  (3-9)  38.  50-45  (14-20), maar had hier reeds gevoeglijk kunnen opgeven. Mocht u willen weten waarom zwart (vanuit de diagram en na Sipma's 37ste zet) verloren staat (?), zoek dan de partij op in Toernooibase: in de analyse-kolom laten kenners ons meegenieten.  

Wouter jongen, Nina zou trots zijn geweest . . .

woensdag 25 juni 2014

Damfamilies...

IDoor Tjalling van den Bosch

Naar aanleiding van het epistel over Pierre Ghestem kreeg ik  veel leuke reacties en werden er zelfs ideeën aangedragen voor nieuwe epistels. Knipsels uit dag- en weekbladen, verwijzingen naar sites (waarop informatie is te vinden) en verhalen heb ik mogen doorworstelen om achter (de hele of halve) waarheid te komen over dammers uit het verleden.

Er zijn in de damwereld veel voorbeelden van grootvaders, vaders en zonen die dammen. Bij ons op de club (Huizum) zijn er nog nazaten hiervan te vinden zoals Thijs Talsma en Ben Stenekes.

Terug in de tijd . . .

In de 18de eeuw (zo rond het jaar 1770) was Jacob Hoogland (veearts te Utrecht) een bekend dammer. Het volgende verhaal maak ik op uit het Algemeen Handelsblad van 5 september 1912: Het was in huize (Jacob) Hoogland gebruikelijk dat er 's avonds werd  gedamd, wat heet (!): het was een vaste regel. De zonen (over dochters wordt in het artikel niet gerept) namen dit gebruik over; dus toen zij trouwden en kinderen kregen werden ook deze 's avonds achter het dambord geplaatst.

Rond het jaar 1900 was het in de familie Hoogland nog steeds een vast ritueel:  's avonds werd er gedamd. Vrijwel alle nazaten konden ook goed leren, van de drie zoons uit het gezin Hoogland, waar ik het hierover heb, ging er één naar de Hoogere Burgerschool en een andere zat op het Gymnasium. "En de derde . . . ?" zult u zich afvragen; nou, die wilde niet deugen. Hij bezocht alleen de lagere school, want de leraren hadden zoveel met hem te stellen, dat zij zijn ouders de raad gaven hem maar niet verder te laten leren, omdat er niet veel met hem was aan te vangen. Hij zat in de klas alleen maar grapjes te maken en dus voor onrust onder zijn medeleerlingen te zorgen. Ondanks de vaak niet malse straffen konden de leraren hem niet in het gareel krijgen. Zo kwam het dat deze jongeling reeds op 14-jarige leeftijd te werk werd gesteld in de slagerij (te Utrecht) van zijn vader.

Maar . . . dammen kon deze jongeling als de beste; toen het Utrechtsch  Damgenootschap in 1906 een simultaan uitschreef (de naam van de simultaan-gever is mij niet bekend) meldde de jonge Hoogland zich dan ook aan. De inschrijving werd echter geweigerd; men vond hem als knaap van 14 jaar ál te jong. Toch was Hermanus Hoogland (daar hebben we het dus over) niet te stoppen, reeds twee jaar later (1908) verleende hetzelfde damgenootschap hem wel het Meesterschap! In 1911 heeft Herman (onder die naam kennen wij dammers hem beter) een tweekamp over 10 partijen gespeeld tegen de Franse 'beroepsdammer' Isidore Weiss, welke Hoogland nipt (9-11) verloor. Weiss, die als eerste wereldkampioen dammen geldt, was vol lof over het spel van de jonge Hoogland; en zie . . . slechts één jaar later (op 20-jarige leeftijd) won Herman Hoogland de wereldtitel !!! Weiss schijnt, nadat hij zijn titel aan Hoogland had overgedragen, te hebben
gezegd: "C'est perdu pour moi". Weiss zag een nieuwe wereldtitel namelijk niet zitten, want hij verklaarde later ook nog: "Als iemand van 20 jaar de titel mee naar huis neemt, dan kan men er staat op maken dat het grote moeite zal kosten het wereldkampioenschap aan dezen houder te ontworstelen".

Ik kreeg zes (uitgescheurde) pagina's onder ogen, waarschijnlijk uit een tijdschrift dat diende als vooraankondiging van het 60-jarig jubileum van de K.N.D.B.; hieruit maak ik het volgende op over de eerste Nederlandse wereldkampioen dammen: Herman Hoogland. Geboren in 1881. Overleed op 64-jarige leeftijd in Utrecht aan een hartkwaal (25 november 1955). Hij was - met De Haas en Molimard - voorstander van een wetenschappelijke speelwijze (en dat voor een kind dat niet wilde 'leren'!). In de Hollandse opening vond hij de naar hem genoemde variant, die een  revolutie in de speltheorie teweegbracht. In 1923 lanceerde hij De Nieuwe Speelwijze, waarbij dammen elkaar ook horizontaal en verticaal slaan, maar dit systeem heeft nimmer ingang gevonden. 

Om dit epistel af te sluiten met 'leuke diagrammetjes' van Hermanus was nog een hele toer; zowel in Turbo Dambase als Toernooibase staan niet veel partijen van Herman Hoogland en vele van zijn overwinningen zijn vrij eenvoudig tot stand gekomen. Uit Het Damspel van 1912 komt deze overwinning, tijdens een simultaan, op een zekere van der Staaij.

 Zwart (van der Staaij) heeft als laatste zet (20-24) afgegeven, Hoogland slaat nu toe: 28-22  (17x28)  26x17  (11x22)  34-29  (23x34)  32x14 (9x20)  39x19  (13x24)  27x21  (16x27)  33-28  (22x33)  31x11 (6x17)  38x29  (24x33)  35-30  (25x34)   40x38.
Tegen zijn broer Richard (die wel goed kon 'leren' en het tot arts schopte) kwam onze eerste wereldkampioen met de volgende lokzet (uit Het Damspel van 1915):



Broederlief (met zwart) had natuurlijk wel in de gaten dat zijn lange vleugel er niet al te florissant bij stond, dus daarom lokte Herman met 39-33 hier  (24-29)  uit. Echter, na het slaan  33x24  en  (20x29), volgde (of zou zijn gevolgd, dat is mij niet helemaal duidelijk)  25-20 (14x34)  35-30  (34x25)  27-21  (16x27)   38-32  (27x49)  40-35 (49x40)  45x5.



Dus jongens en meisjes, als je een hekel hebt 'aan school' en je door je leraren als 'onhandelbaar' wordt afgeschilderd; stort je dan vol overgave op ons edele damspel!
 




maandag 16 juni 2014

Zwart op Wit

Door Rein van der Pal


Na Max Euwe en Jan Timman was Paul van der Sterren de Nederlandse schaker die het verste kwam in de kandidatenmatches. De Limburger werd twee keer Nederlands kampioen en vertegenwoordigde ons land regelmatig op de Schaakolympiade. Toch heeft hij nooit de status van Donner of Timman verworven.

Over zijn leven als schaker heeft heeft Van der Sterren een biografie geschreven met als titel ‘Zwart op Wit.’ Uitgangspunt voor het kloeke boekwerk van meer dan 500 bladzijden vormt het archief met 3.000 partijen. Liever had ik deze  twee kilo zware stoeptegel op een tablet gelezen. Dit komt puur door het formaat en het gewicht van het boek. Persoonlijk verkies ik een geschreven boek boven een e-book of kleitablet, doch dit geheel terzijde. De schrijver heeft geen uitputtende analyses gemaakt, maar gebruikte een selectie van de partijen om zijn chronologische verhaal te ondersteunen.

Kort na zijn studie rechten in Amsterdam besloot Van der Sterren van schaken zijn beroep te maken. 
Volgens de schrijver moet een broodschaker beschikken over reislust, mentale weerbaarheid, discipline en talent om te kunnen slagen. Ook dient een schaker over voldoende zitvlees te beschikken.
Het ging allemaal niet zonder slag of stoot. Van der Sterren stond niet direct bekend als een supertalent, eerder als een noeste werker met een gezonde aanleg voor schaken. Om in zijn onderhoud te voorzien nam hij deel aan lucratieve weekendtoernooitjes, serieuze invitatietoernooien en de clubcompetitie. Verder leverde hij bijdragen aan tijdschriften, schreef boeken en gaf zo nu en dan een simultaan. 

Zwart op Wit is een indringend psychologisch portret geworden, waarbij alle facetten die bij het schaken als beroep een rol spelen, worden uitgediept. De schrijver spaart zichzelf niet en toont openlijk z’n zwakke kanten. Aanvankelijk zag hij teveel op tegen topspelers. Gedurende z’n gehele carrière had hij last van spanning en stress. Een ander probleem was zijn faalangst en het misgrijpen op de beslissende momenten. Dat Van der Sterren niet eerder de pijp aan maarten gaf en nog zover gekomen is mag een wondertje heten. Karakter, keihard werken en doorzettingsvermogen hebben van hem toch een topschaker gemaakt, die op 33 jarige leeftijd de grootmeester titel in de wacht sleepte.

Het boek is niet alleen interessant voor schakers, maar ook voor dammers, bridgers, sporters en voor iedereen die graag een levensverhaal leest. Dat Van der Sterren over een goede pen beschikt is mooi meegenomen. Over de partij tegen John van der Wiel, waarin hij de nationale titel verspeelt schrijft hij:

“Er is veel sympathie voor me na het zeldzaam wrede slot van deze partij. Toch kan ik me niet herinneren dat ik er, in laten we zeggen mijn ” waakbewustzijn “, zo vreselijk onder geleden heb. Overdag sluit je geest zich blijkbaar af voor dingen die te groot en te erg zijn om te bevatten. Maar ’s nachts komen ze zo nu en dan wel aan de oppervlakte en natuurlijk zijn ze ondertussen ongezien bezig om ergens diep in je ziel hun stempel te zetten”.      

Op 45-jarige leeftijd zet Van der Sterren een punt achter zijn actieve loopbaan als topschaker. De accu is leeg en het lijkt bijna een verlossing…

woensdag 11 juni 2014

Soms denk je dat je...

Tjalling van den Bosch

Eigenlijk zou de aanhef moeten zijn: Soms denk je dat je kunt ontsnappen. Edoch, uw blogmanager vindt zo'n aanhef veel te lang, dus korten wij deze maar in, maar wel met een open einde . . . Rein van der Pal is uw blogmanager, maar misschien is die functieomschrijving niet correct en moet het gewoon blogmaster zijn, of heel gewoon blogger (?!?). Bij het overzetten van 'stukjes' op dit blog, vallen er letters 'weg', soms zelfs hele woorden, soms staan er plotseling letters die 'daar niet thuis horen', soms staan punten en komma's plotseling helemaal verkeerd; kortom er ontsnapt het nodige op wonderbaarlijke wijze . . .

In eerdere epistels heb ik al eens voorbeelden aangehaald van wonderbaarlijke ontsnappingen. Een ontknoping in de 2de ronde van de halve finale N.K. Algemeen K.N.D.B. 2014 gaf mij de inspiratie voor dit epistel EN deed mij even terug gaan in de tijd . . .Het ging in eerste instantie om deze stand, uit de partij tussen Edwin de Jager (wit) en Ivo de Jong:

De zwarte dam is zojuist (op de 52ste zet) geland op veld 31. Wit denkt nu in een remise te kunnen ontsnappen door 18-12  (31x42 !)  12x3 maar wordt nu verrast door het mooie 42-26 . . . over en uit, de witte dam kan niet meer ontsnappen. Deze 'net niet ontsnapping' deed mijn denken aan één van mijn schaarse hoogtepunten. We gaan terug naar de 1ste ronde van nationale clubcompetitie (hoofdklasse A) in het seizoen 2008-2009.

Op die bewuste zaterdag (20 september 2008) nam mijn club Huizum het, in Zalen Tivoli, op tegen DIOS (zoals deze club toen nog heette). De wedstrijd eindigde in een gelijkspel (10-10) en ik mocht aantreden tegen Ko Besuijen. We komen erin na mijn (wits) 52ste zet 40-34:

Ik weet nog dat mijn toenmalige clubgenoot Martijn van Gortel, na mijn laatste zet, zachtjes fluisterde: "hij (ik dus) verprutst het weer . . . ! "Besuijen dacht dat ook en zag zich al gekroond worden tot matchwinnaar: (15-20)  25x14  (22-28)  4x2 !  (28x37) . . . Maar zo nu en dan (zeg maar gerust; een héééél enkele keer) verras ik mijn teamgenoten aangenaam:  2-8 . . . Ko dacht nog lange tijd na, maar zag toen toch maar van verder spelen af (2-0), waar wit ook dam gaat halen de vang staat altijd klaar!
En dan krijg je, na afloop, de felicitaties en nog even later, terwijl het eerste biertje het  keelgat inschiet, durft er iemand te vragen: "zag je dat van te voren aankomen?". En dan is het heerlijk om de meest onnozele glimlach tevoorschijn te toveren !

Maar er zijn natuurlijk ook situaties waar een speler zijn winst juist net niet binnenhaalt. Een voorbeeld hiervan komt wederom uit de nationale clubcompetitie (seizoen 2013/14). Op 2 november 2013 versloeg 020 (het voormalige Hiltex) hun opponenten uit Nijverdal resoluut met 12-8. De uitslag had groter uit kunnen vallen wanneer Gerrit Tigchelaar zijn kansen optimaal had benut:

Tigchelaar heeft zwart en zijn tegenstander (Rienk van Marle) heeft zojuist op de 49ste zet 38-33 gespeeld. Zwart speelde nu  (41-47) en toen maakte van Marle remise door 23-19  (14x34)  33-28  (47x20) en 25x14. Edoch, winst (voor zwart) was vanuit de diagram:  (15-20) 24x15  (41-46)  wit heeft nu niet anders dan  33-28  en dan volgt  (14-19)  23x14  (46x5)  25-20  (5-28)  -wit kan nu natuurlijk  29-24 maar dan speelt zwart  (28-32)  en verandert er niets aan de winstgang-29-23 (28x25)  15-10  (25-14)  10X19  (18-23)  19X28  en  (12-18).
Soms wordt zelfs op grootmeestelijk niveau niet het maximale eruit gehaald.

Wederom naar de nationale clubcompetitie (nu uit het seizoen 2012/13); Alexander Getmanski gaat de boot in tegen voormalig wereldkampioen Guntis Valneris (ooit mijn clubgenoot bij het roemruchte Rinsumageest en door de voorzitter van die club steevast Gunter Valerius genoemd, maar dit wederom geheel terzijde natuurlijk).

Stand na Valneris' 55ste zet (23-29), Getmanski (wit) gaat als volgt de bietenbult op:  36-31  (29-34)  38-32  (30-35)  32-28  (34-40)  28-23 (40x49)  23-19  (49-32)  19-13  (32-14)  13-8  (7-12)  8x17  14-23 en 0-2. Edoch, als wit vanuit de bovenstaande diagram begint met 38-32 is het niet te winnen !?! Op bijvoorbeeld (29-33) komt 44-40.
"Wat het putten voor golfers, is het eindspel voor dammers . . .".


 


 

woensdag 4 juni 2014

The Nickster...

Door Tjalling van den Bosch

Nick de la Fonteyne (geboren op 15 juli 1988) uit Leeuwarden kon de teloorgang van het Fries Kampioenschap algemeen niet langer aanzien. Het F.K. was, na een lange en sucesvolle periode, afgegleden tot een ontluisterende schijnvertoning. In 2006 werd het round-robin (rond-systeem) afgeschaft en deed
het zwitsers systeem zijn intrede. In de daarop volgende jaren bedankte het overgrote deel van de Friese topspelers voor de eer; ze vonden het zwitsers systeem niet eerlijk en dus niet thuishoren in de strijd om de hoogste Friese (dam-)eer. Een voormalig Fries kampioen stopte zelf helemaal met 'ons' dammen en stapte over naar het Fryske spul . . .Vorig seizoen werd het F.K. aan het traditionele Friese zomertoernooi gehaakt; een afgang, want de partijen werden nu afgeraffeld in een veel te snel speeltempo. Mooie partijen leverde het dan ook niet op.

De la Fonteyne vond dat deze neerwaartse spiraal moest worden omgebogen. Ondanks zijn gebrek aan ervaring op het gebied van het organiseren van damwedstrijden, in zijn nog jonge leventje, schraapte hij al zijn moed bijeen en vroeg hij de Friese dambond of hij het F.K. van 2014 mocht organiseren; dat mocht.
"Eén vergadering met de PFDB, waarin ik mijn 'plan van aanpak' heb uitgelegd, was voldoende" vertelde hij bij de chinees, na afloop van de laatste ronde. The Nickster kreeg hulp van deze en gene, werd ook gesteund door de Leeuwarder damclubs (Huizum en de Oldehove) en ging aan de slag. Schrijver dezes had het idee, dat de la Fonteyne ontzettend veel werk heeft moeten verzetten om het één ander weer op de rails te krijgen; zelf vond hij het aantal uren, dat hij er in heeft moeten steken, nogal meevallen. Na een 'rondje' langs mogelijke kandidaten, had hij 32 deelnemers op de lijst; een record voor deze eeuw (het zomertoernooi natuurlijk buiten beschouwing gelaten). Gelukkig vonden ook weer Friese toppers de weg naar het F.K.; helaas nog niet alle, maar er is weer hoop. Uw penneleur is van mening dat mensen zoals Nick cruciaal zijn voor de overlevingskansen van onze damsport (geen woorden maar daden . . .).

Afijn, terug naar het toernooi; de deelnemers werden 'op rating' ingedeeld in 4 groepen van 8; in de hoogste klasse was de gemiddelde rating ruim 1.300. De winnaars werden: ereklasse Tjalling Goedemoed, hoofdklasse Sietse Nagel, eerste klasse Kerst Hoekstra en in de tweede klasse Andries Oord. De winnaar van de ereklasse mag zich een jaar lang Fries kampioen noemen. But the real winner is . . . the Nickster !!

Schrijver dezes heeft zeer grote bewondering voor Nick de la Fonteyne en hoopt dat hij ook het volgend seizoen met de (organisatie-)scepter wil (en mag!) zwaaien. De partijen werden centraal verspeeld in Leeuwarden; afwisselend in de thuishavens van de Leeuwarder damclubs (Tivoli en de Insulinde). Er werd alleen op zaterdagen gespeeld en het speeltempo was 50 zetten in 2 uur (en vervolgens 25 zetten per uur).
Het was weer een ouderwetse strijd met nieuwe snufjes, zoals het live de partijen de wereld in slingeren, doordat men op tablets en i-pads mocht 'noteren'. Veel partijen kunt u naspelen op Toernooibase; de dam-technische hoogstandjes van de toppers zijn reeds ontleed in de diverse damrubrieken, daarom neem ik even kort twee partij-fragmenten met u door uit andere klassen:

Het eerste fragment komt uit de tweede groep (hoofdklasse - 7de ronde). Reinout Sloot (wit) meende op de volgende manier een dam op het bord te moeten toveren in zijn partij tegen Sietse Nagel.

Stand na zwarts 23ste zet (13-19). 26-21  (17x26)  27-22  (18x38) 29x7  (38x40)  7-1  (25x43)  1x45.  Sloot mag graag 'snel' spelen, maar hij had beter even 'op zijn handen' kunnen gaan zitten voordat hij deze combinatie inzette, want nu volgde:  (20-24)  49x38  (2-7)  45x1  (19 23)  1x20  (15x24). De schijfwinst werd door Nagel later omgezet in partijwinst; mede door deze overwinning werd hij kampioen in de hoofdklasse.


Het tweede fragment komt uit de derde groep (1ste klasse) en wel uit de tweede ronde:

Hans van Dijk  heeft wit en is aan zet; zijn tegenstander is Arnold Wiegersma en deze heeft  zojuist een vrije doortocht naar dam (schijf
36) bewerkstelligd. Beide spelers zitten in razende tijdnood; van Dijk had hier het beste kunnen voortzetten met 48. 21-17  (36-41) 49. 17-12  (41-47) 50.  39-34  met goede kansen voor wit. Maar het ging anders, namelijk:  48.  16-7  (36-41)  49.  7-34  zwart mag nu natuurlijk geen dam halen, dus:  49.  ..-..  (24-30)  50.  34-1  (41-47)  51.  25x34 en de zetten zijn gehaald. Wit staat nu twee schijven voor, maar Wiegersma vindt precies het remise-gaatje: 51.  ..-..  (47-33)  52.  28-23  33x35  53.  23x5  (35-8)  54.  21-16  (6-11)  16x7  55.  8-2  en
de punten werden verdeeld.

Mocht het F.K. 2015 op dezelfde manier worden georganiseerd, dan zou het te prijzen zijn wanneer meer Friese topspelers de strijd om de hoogste Friese dam-eer ook weer 'aan' zouden gaan.